第
四
十
一
Sectie De – Vers XLI
Wanneer de verheven mens van Dao weet,
zal hij het aandachtig vervullen;
wanneer de middelmatige mens van Dao weet,
zal hij het maar half geloven.
Wanneer de laagste soort mens van Dao weet,
zal hij het luid uitlachen;
zou hij het niet uitlachen, dan zou het niet Dao zijn.
Daarom wordt dit alles gezegd:
het Dao is licht en lijkt donker;
het Dao gaat vooruit en lijkt terug te vallen;
het Dao is regelmatig en lijkt oneffen.
Grote deugd lijkt leeg;
grote zuiverheid lijkt onrein.
Vergaande deugd lijkt ontoereikend;
rotsvaste deugd lijkt wankel;
het meest wezenlijke lijkt veranderlijk.
Het grootste vierkant heeft geen hoeken;
het grootste bouwwerk is nooit af;
de grootste muziek heeft de zachtste klanken;
de grootste gestalte heeft geen vorm.
Dao is voor het oog verborgen en heeft geen naam;
het is enkel Dao echter, dat aan alle behoeften voldoet
en alle dingen verwezenlijkt.